De zwemtraining bestaat nog geen 100 jaar. Pas vanaf 1910 werd
er serieus een poging gedaan om beter te worden in het zwemmen door een lange
afstand (tot zo'n 1500 m) te zwemmen en dan vooral te letten op techniek. Pas
vanaf de begin jaren '30 werd er begonnen om te variëren in snelheid. Vanaf de
jaren '50 kwam de intervaltraining over van de atletiek naar het zwemmen en kwam
er duidelijk onderscheid in de zwemmers die trainden met intervaltrainingen en
zwemmers die dat niet deden. Halverwege de jaren '60 kwam de zwemsport pas echt
goed in ontwikkeling: men ging zo specifiek mogelijk trainen.
Dit resulteerde in een onderscheid van trainingen. Er kwamen een aantal
trainingsmethoden die nog steeds worden toegepast:
Voordat ik de verschillende methoden behandel, lijkt het mij
verstandig dat ik kort wat vertel over het effect van een training op het
lichaam en het herstel.
Als we kijken binnen een training dan kan men zeggen dat voor anaerobe
inspanning men volledig herstel moet geven. Tussen de trainingen moet men
proberen om een lonende herstelfase te hebben. Dit wordt duidelijk aan de hand
van de volgende grafiek.
|
|
1-2 Gedurende de arbeid wordt het lichaam vermoeid 2 Einde van de arbeid 2-3-4 Herstel van het lichaam 3 Het gelijke niveau als voor de arbeid bij 1 3-4 De extra aanpassing van het lichaam. Dit is waarvoor we trainen 4-5 Het lichaam is tot meer in staat dan voorheen. De volgende trainingsprikkel moet hierin gegeven worden |
Dit betekent dat er veel en regelmatig getraind moet worden, want anders kom je weer terug op hetzelfde niveau. Wanneer de nieuwe trainingsprikkel komt in de periode van de extra aanpassing van de vorige training dan heeft de training het meeste effect. Dit is erg belangrijk om in het hoofd te houden.
Bij duurtraining zwemmen we in een tamelijk rustig tempo gedurende langere tijd. Het optimale tempo waarop men kan zwemmen is de steady state en hangt af per individu.
Het effect van duurtraining op het lichaam is het volgende:
1.
Een betere capillarisatie in de werkende spieren. Er worden meer
capillairen (haarvaatjes) gemaakt (angiogenese) in de spier, waardoor meer
zuurstof de spiercellen kan bereiken
2.
Een vergroting van het hartvolume
3.
Een verdikking van de hartwand
4.
Toename van de contractiekracht van het hart
5.
Bloedresidu in de ventrikels (hartkamers) is kleiner dan voorheen na
iedere contractie van het hart
6.
Vergroting van de ATP voorraad in de spiercellen
7.
Economischere metabolisme van de spieren
8.
Verbeterde spiercoördinatie
Er treedt dus een verbetering van het algemene aerobe uithoudingsvermogen. Dit betekent dus dat het vermogen om zonder zuurstofschuld een zo hoog mogelijke snelheid lang vol te houden. Dit is vooral afhankelijk van de capaciteit van de zuurstoftransportsysteem.
Duurtraining voor elke zwemafstand is onontbeerlijk.
Natuurlijk geldt dat hoe langer de afstand des te meer nadruk op de duurtraining
moet worden gelegd. Andersom geldt hetzelfde: hoe korter de duur van de
prestatie des te meer moet er worden getraind op de anaerobe energievoorziening.
Na jarenlange training wordt de prestatie door de duurarbeid verbeterd. De
snelheid neemt toe en de hersteltijd na de inspanning neemt af. Goed getrainde
sporters kunnen bovendien een hoge hartfrequentie (Hf) lang volhouden (zo'n 180
slagen gedurende een half uur is mogelijk).
Een 100m zwemmer zal meer trainen op anaerobe energievoorziening dan een lange
afstand zwemmer. Bovendien is het de bedoeling om zo specifiek mogelijk te
trainen (bij gevorderde, oudere, zwemmers!), d.w.z. dat de beweging, duur en
tempo zoveel mogelijk op de wedstrijd moet lijken. Waarom dan toch duurtraining
voor korte afstand specialisten, zoals een 100 meter zwemmer?
Juist vanwege de laatste reden is het verstandig om ook korte afstand zwemmers in de opbouw goed te trainen op het aerobe uithoudingsvermogen. Daarnaast is het onderhouden (of misschien wel verbeteren) van de aerobe capaciteiten gedurende de rest van het seizoen zeer belangrijk. Bedenk bovendien dat aerobe energievoorziening een stuk economischer is dan anaerobe energievoorziening: geen lactaatophoping en meer ATP per molecuul glucose. Hierdoor kan je gelijk afleiden waaom het zo belangrijk is om een goede race-indeling en tempogevoel te hebben. Als men te snel van start gaat, krijgt men te vroeg een zuurstofschuld. Het eerste deel van de race moet dus ongeveer even snel zijn als het tweede deel van de race. Als laatste is het nog interessant om te weten dat de weerstand toeneemt met het kwadraat van de snelheid! (Dus wat is de winst van te snel van start gaan?)
Verder heeft duurtraining nog wat positieve effecten:
De interval training is het trainen van het lichaam (met name hart en longen) met korte momenten van rust tussen de arbeid door. Zoals hierboven verteld gebeurde dat vroeger door duurtraining. In de atletiek werd er echter al in de jaren twintig geëxperimenteerd met het lopen van korte afstanden in snel tempo en afgewisseld met pauzes. Natuurlijk heeft de wetenschap zich gestort op deze methode van trainen en voor een optimaal effect van een interval training kwam men met de volgende conclusies:
Door gebruik te maken van de Hf kan men de interval trainingen individualiseren. De pauzes zijn belangrijk voor het vergroten van het slagvolume. Samen met de toename van de contractiekracht van het hart resulteert dit in prestatieverbetering.
Een nadeel van de interval training is dat het uithoudingsvermogen van de afzonderlijke spiergroepen veel minder worden vergroot in verhouding tot die van het hart. De capillarisatie neemt hier dus onvoldoende toe. Om dit probleem op te lossen moet er weer aan duurtraining worden gedaan.
Bij interval trainingen wordt er op hoge intensiteit korte
afstanden gezwommen. Tijdens deze kortdurende belasting is de tijd voor het
zuurstoftranssportsysteem (longen + hart & bloedvaten + spieren (in dit
geval)) om zich aan te passen en de zuurstofbehoefte te dekken onvoldoende. Dit
resulteert dus in het maken van een zuurstofschuld om de arbeid wel te kunnen
verrichten. Na de arbeid moet de zuurstofschuld weer worden weggewerkt.
De zuurstofopname bij het begin van de rust (dus aan het einde van de arbeid) is
op zijn hoogst en neemt geleidelijk af. Hoe hoog dit is wordt o.a. bepaald door
de hoeveelheid bloed die het hart per minuut uitpompt. Dit wordt het
hartminuutvolume (HMV) genoemd. Een toename van de zuurstofopname gaat gepaard
met een toename van het HMV. Het HMV is op haar beurt weer afhankelijk van de
hoeveelheid bloed die de ventrikels verlaat (= slagvolume (SV)) en de Hf.
De Hf neemt tijdens de arbeid toe en bij de rust neemt zij af(!). Hierboven is
gezegd dat de zuurstofopname echter verhoogd is en daarmee dus het HMV. Hieruit
volgt automatisch de conclusie dat het SV in het begin van de rust sterk is
toegenomen. De bloeddruk stijgt ook en helpt de SV om hoger te worden.
Uit bovenstaande kunnen we afleiden dat een vergroting van het SV in het eerste
deel van de rust de trainingsprikkel voor het hart is. We spreken over lonende
pauze. Het hart moet een dusdanige arbeid leveren tijdens de arbeidsfase en
herstelfase van de training dat het zich gaat aanpassen. De ventrikels worden
groter (dilatatie) en de spierwand wordt dikker (hypertrofie) en dus krachtiger.
Het hart zal in staat zijn om een grotere prestatie te leveren en bij te dragen
aan een vergroting van de maximale zuurstofopname.
De arbeidsfasen zijn kort en de stijging van de lactaatconcentratie is te verwaarlozen. Hierdoor is het mogelijk om een interval duurtraining, ondanks de hoge intensiteit, lang voort te zetten. Na al ongeveer 4 weken is er al duidelijk resultaat aantoonbaar. Helaas is na een onderbreking van de trainingen een achteruitgang ook al snel te zien.
Door te variëren in afstand, intensiteit, duur van de rust en het aantal herhalingen is er ook onderscheid gemaakt in de interval trainingen. Dit omdat door de veranderingen in met name de afstand en het tempo er principiële verschillen onstaan in de fysiologische uitwerking van de verschillende interval trainingen. In elk van de groepen is er natuurlijk weer veel variatie mogelijk.
1.
Interval duurtraining
2.
Interval tempotraining
3.
Herhalings-/snelheidstraining
|
De duur van de herstelpauze in de training
wordt bepaald door de afstanden, het tempo (intensiteit) en het aantal
herhalingen. Bij het bepalen van de duur van de pauze moeten we eerst
weten hoe lang het duurt voordat het lichaam zich voor een bepaald deel
heeft hersteld. Het herstel begint snel en neemt geleidelijk af in
snelheid en loopt schijnbaar asymptotisch naar 0. |
|
Bij intervalduur trainingen moet men proberen om de
intensiteit zo hoog maken dat het tekort aan zuurstof groot genoeg is om het
hart in de herstelfase te dwingen tot een groter slagvolume. Dit houdt in dat er
op de afstand tussen de 70% en 80% van de maximale snelheid gezwommen moet
worden en de Hf moet oplopen tot zo'n 180.
De bedoeling is de totale afstand niet te klein te houden en dus de duur van de
intervalduur training dusdanig te maken dat er niet alleen anaeroob getraind
wordt. De lactaatconcentratie moet wel stijgen, maar niet tot het maximum.
Zodoende kan het lichaam in de lonende pauze zich voldoende herstellen om
dezelfde prestatie te leveren bij de volgende belasting.
De lengte van de rust zal dus gelijk moeten zijn aan de
lonende pauze en ligt zo tussen de 45 en 90 seconden. Beter is de Hf te
gebruiken. Deze moet ongeveer 120 zijn en maximaal 140. In de praktijk is het
gebruiken van de Hf voornamelijk bij de wat jongeren wat moeilijk.
Het aantal herhalingen is afhankelijk van aardig wat factoren, maar een minimum
van 6 is vereist om een redelijke prikkel te krijgen.
Bij intervaltempo trainingen trainen we met name de anaerobe uithoudingsvermogen. Dit kan alleen als de intensiteit dusdanig is dat de nodige energie niet uit de (aerobe) glycolyse komt, maar louter uit de anaerobe processen. Hier wordt dus weer lactaat geproduceerd. Bovendien moet de duur wel zo lang zijn dat er bijna een maximale zuurstofschuld ontstaat. Om dit voor elkaar te krijgen moet er het volgende gebeuren:
IntensiteitDe intensiteit moet hoog zijn. Uiteraard hangt het af hoe goed de zwemmers getraind zijn en hoe oud ze zijn, maar een goed getraind persoon moet toch zeker 90% van de maximale zwemsnelheid halen. Misschien wel meer. De wat jongeren kunnen volstaan met 85%. |
DuurZoals ook op de pagina over sportfysiologie is te lezen, blijkt dat wij zo'n 40 seconden arbeid met een hoge intensiteit aankunnen door gebruik te maken van alleen de anaerobe energievoorziening. (De lactaatconcentratie is dan ook hoog). Een intervaltempo training is dus minimaal 45 seconden en mag maximaal 2 minuten (wat wel bijzonder zwaar is) duren. In afstanden is dat dus tussen de 75m en 150m. |
HerstelMisschien wat overbodig, maar de vermoeidheid is erg groot na de arbeid, omdat de intensiteit hoog is en het ook relatief lang moet worden volgehouden. Dit komt door de hoge lactaatconcentratie in het bloed. Om weer opnieuw te beginnen, moet alle lactaat worden weggewerkt evenals het zuurstoftekort. Dit duurt vrij lang, maar door in de rust even rustig door te zwemmen, herstelt het lichaam sneller (actief herstel). Voor de totale rust is het gewoon om 2/3 hersteltijd te nemen. Dit komt neer op starten elke 5 à 6 minuten. |
AantalIntervaltempo trainingen zijn bijzonder vermoeiend en na een aantal herhalingen is het lichaam te uitgeput om anaeroob te blijven werken. Het aantal herhalingen moet dan ook laag zijn, anders ga je over op een ander soort training (welke?): 2-4 keer is genoeg. Voor zeer goed getrainden kan het aantal in bepaalde perioden soms wel 6 zijn. De intervaltempo is dusdanig intensief dat het niet dagelijks getraind moet worden. |
Herhalingstrainingen zijn trainingen waarin je kortere afstanden zwemt dan in de wedstrijd, maar wel op 100% zwemsnelheid. Dit vraagt wel volledig herstel. Het aantal herhalingen is weinig: 2 à 3 keer. Een 2x75m elke 10 minuut is een goed voorbeeld. De bedoeling is wel onder 3/4 van de 100m tijd te komen.
Met sprinttrainingen bedoelen we uiteraard trainen op maximale
snelheid. We gebruiken deze vorm van training vooral vlak voor belangrijke
wedstrijden en past bij krachttraining. Je moet immers veel kracht gebruiken bij
topsnelheid.
De sprint kan slechts heel kort worden volgehouden. Na zo'n 15 seconden is het
wel over. Sprinten doen we dus maximaal 25m. Omdat de intensteit maximaal is
hebben we compleet herstel nodig. Echter, dit is niet zo lang als bij de
intervaltempo trainingen, omdat de hoeveelheid lactaat veel lager is en het
zuurstof tekort daarmee ook. Sterker nog, volledig herstel bij sprinttrainingen
duurt korter dan de 2/3 hersteltijd bij intervaltempo trainingen.
Het aantal herhalingen is niet veel: 6-8 keer.
Tot slot een samenvatting in een tabel, de overbekende TARX-tabel:
|
|
Duur |
Interval
Duur |
Interval
Tempo |
Sprint |
|
Tempo |
60-70% |
70-80% |
85-95% |
(>)100% |
|
Afstand |
400m
en meer |
±
100m |
75-150m |
max.
25m |
|
Rust |
Kort |
±
30-60 sec. (afhankelijk van Hf) |
Ruim
3-5 min. |
volledig
herstel: bijv. 2 min. |
|
Aantal
X |
Weinig |
10-20
x |
2-4
x |
6-8
x |