| Zwemmen | |
| Lopen | |
| Fietsen | |
|
Voor specifieke trainingstips over een van de drie triathlononderdelen selecteer het gewenste onderdeel. |
Hoe kan ik mijn fysieke conditie trainen of op peil houden?
Hoe vaak moet ik trainen?
Is looptraining efficiënter dan fietsen om mijn fysieke conditie te verbeteren?
Deze en vele andere vragen komen spontaan op wanneer men begint met (duur)sport. Op de meeste van deze vragen kan de sportwetenschap een duidelijk antwoord bieden. Op andere heeft zelfs de wetenschap geen duidelijk antwoord. In de praktijk ziet men echter heel wat recreatie- en zelfs competitiesporters en trainers maar wat aanmodderen en afgaan op hun intuïtie. Op gevoel trainen is niet verkeerd, tenminste als er niet zwaar gezondigd wordt tegen universele trainingsprincipes. Om een beetje klaarheid te brengen in de erg complexe trainingswetenschap wordt er in dit dossier een overzicht gegeven van de elementaire trainingsprincipes
Training wordt in één van de vele bestaande definities beschreven als het systematisch herhalen van inspanningen met als doel de prestatie te verbeteren. Belangrijk daarbij is of men traint volgens een bepaalde systematiek om met een uitgestippeld plan een vooraf bepaald doel te bereiken.
Het trainingsverloop over 1 jaar wordt een macrocyclus genoemd. Een ideale
macrocyclus voor duursporten omvat 5
opeenvolgende fasen :
1. basis : de fase waar het fundament van de uithouding door middel
van laag intensieve trainingen gelegd wordt;
2. intensiteit : de fase waar de nadruk op intensievere trainingen
ligt;
3. piek : de fase waar de conditie naar een top groeit;
4. competitie : de fase waarin aan wedstrijden deelgenomen wordt;
5. herstel : de fase die broodnodig is na een slopende
wedstrijdfase.
Basis
Onderzoek heeft uitgewezen dat de basisfase lang moet duren om een goede
basisuithouding te ontwikkelen. De duurtijd bedraagt ± 20 weken.
Opbouw uithouding
Het grootste deel van de training in fase 1 (70 tot 80% ) moet aan lage
intensiteit gebeuren. Lange duur en extensieve duurtrainingen komen
hiervoor in aanmerking. Trainen aan 55 tot 60% van de maximale
zuurstofopname of aan hartfrequenties die overeenkomen met deze
intensiteit verbeteren immers de vetverbranding. Daarnaast neemt het
aantal bloedcapillairen in de spier toe en stijgt het aantal mitochondriën
(de zuurstoffabriekjes) in de spiercel. Dit alles leidt tot een verbeterd
zuurtstoftransport en -verbruik in de spiercel waardoor de renner aan
hogere intensiteiten aëroob kan blijven werken. Vettrainingen (nuchter
trainen) verbeteren eveneens de vetverbranding.
Een inspanningstest (met melkzuurmeting) is uitermate geschikt om de
hartfrequenties te bepalen waaraan de trainingen in deze fase moeten
gebeuren.
Krachttraining Fase 1 is ook de periode bij uitstek om aan krachttraining
te doen. Tot 20% van de trainingstijd in deze fase mag aan krachttraining
besteed worden. De eerste weken van deze fase lenen zich goed tot algemene
krachttraining in de fitnesszaal gecombineerd met specifieke
krachttraining. De oefenvormen kunnen variëren van
houdingscorrectieve krachttraining (bv. rugspieroefeningen) tot
verschillende vormen van intervaltraining. Het doel van
krachttraining bestaat erin om een basiskracht én krachtuithouding te
ontwikkelen, nodig om voor de volgende fasen van de macrocyclus een goede
startbasis te hebben.
Intensiteit
In deze fase komen geleidelijk alle
facetten van training aan bod, alhoewel 60% van de training wel
uithoudingstraining blijft. Drempeltraining (trainen aan de omslagpols),
snelheidstraining (hoog intensieve training zonder te verzuren) leren het
lichaam een zware inspanning gedurende een lange(re) tijd vol te houden.
De hoeveelheid drempeltraining en snelheidstraining moet geleidelijk
opgevoerd worden. Naarmate het seizoen nadert, kunnen continue
intensieve training en/of continue drempeltrainingen ingevoerd worden en
kunnen eventueel enkele wedstrijden op het programma staan, maar dan
eerder als training.
De intensiteit van de drempeltraining mag zeker niet te hoog zijn. Te veel
trainen aan een hoge intensiteit aan het begin van het seizoen kan immers
leiden tot het te vroeg in vorm zijn of pieken met vervolgens een snelle
terugval. In deze fase moet er ook aandacht besteed worden aan het
uitproberen van sportdranken en de sportvoeding. Verder moet ieder renner
zoeken naar de ideale persoonlijke opwarming voor een wedstrijd.
Pieken
Fase 3 duurt 4 tot 8 weken waarbij de klemtoon ligt op een vermindering in
trainingsomvang (volume). De intensiteit van sommige trainingen (snelheid,
drempeltrainingen) mag soms nog wat opgedreven worden. Uithoudingstraining
maakt nog steeds 50 tot 60% van de totale trainingsduur uit. Extra
aandacht wordt besteed aan herstel en recuperatie.
Wedstrijdperiode
Afhankelijk van de duur van de eerste drie fases kan de optimale conditie
voor wedstrijden gedurende 8 tot hooguit 16 weken volgehouden kunnen
worden. Optimaal presteren van 1 maart tot en met 15 oktober is (quasi)
onmogelijk. Hiermee moet vooraf rekening gehouden worden en het
trainingsplan moet zo opgebouwd worden dat men optimaal presteert in de
belangrijkste wedstrijden. Zelfs tijdens deze fase blijft 50 tot 60% van
de training voorbehouden aan duurtraining. Intervaltraining maakt 10 tot
15% van de trainingstijd uit, snelheid zo’n 10% en de wedstrijden zullen
de week volmaken. Recuperatie en hersteltraining blijven zeer belangrijk.
Een trainingsweek tijdens de wedstrijdperiode kan er als volgt uitzien (zie
tabel 3):

De 52 weken van een trainingsjaar worden verdeeld worden over 5 fasen in
een trainingsplan. In bovenstaand voorbeeld wordt er gewerkt naar 1
wedstrijdperiode. Merk op dat de fase waarin het basisuithoudingsvermogen
en de kracht getraind wordt (fase 1), in verhouding tot de andere fasen
het langste duurt.
Herstel
Na een lang seizoen is een actieve rustperiode van 4 tot 8 weken
aangeraden. In deze fase vermindert de trainingsomvang behoorlijk en mag alleen
aan een lage intensiteit (uithouding) getraind worden. Andere sporten
kunnen aan bod komen om de routine te doorbreken.
Voornamelijk voor jonge sporters is het beoefenen van meerdere sporten
belangrijk. Op jonge leeftijd zich op één sport toeleggen, houdt
risico’s in. Het lichaam heeft immers veel prikkels van verscheidene
aard nodig om zich zo volledig mogelijk te ontwikkelen. Trainen of spelen
in groep is ook vaak een aangenaam intermezzo.
Omdat de metabole en spierbelasting individueel zeer sterk kan
verschillen, kan een sporter tijdens een rustige
looptraining toch aan een te hoge intensiteit trainen wat in deze fase
niet aangewezen is. Het herstel moet immers gebeuren door een combinatie
van voldoende rust en laag intensieve oefenvormen. Enkel door het strikt
respecteren van een voldoende lange herstelfase, kan men de batterijen
weer volop bijladen om met hernieuwde moed aan een volgend seizoen te
beginnen.
Reactiecyclus op inspanning
Fig 1: Het lichaam reageert op een specifieke manier op inspanning. Deze
reactie kan men in 4 stappen opdelen.
Veel mensen streven via beweging een algemene verbetering na van de
lichaamsconditie. Men kan dit vertalen als het opbouwen van een betere
uithouding tijdens inspanning. Daartoe bestaan duidelijke richtlijnen.
Eerst moet er echter een belangrijk misverstand
uit de weg geruimd worden. Veel mensen menen dat de inspanning het belangrijkste
element is voor het verbeteren van het uithoudingsvermogen. Dit is niet het
geval. Het herstel van het lichaam nà de inspanning en de gepaste dosering van
die inspanning zijn véél belangrijker.
Wanneer de inspanning groter is geweest dan normaal, heeft het lichaam namelijk
de neiging om bij het herstel een aantal structuren en functies te verstevigen.
Op die wijze zorgt het ervoor dat het beter voorbereid is op gelijkaardige
inspanningen in de toekomst. De (lichte) verbetering die men op deze wijze na
elke inspanning bereikt wordt het trainingseffect genoemd. Het is dit effect dat
na verloop van tijd voor de merkbare verbetering van het uithoudingsvermogen
zorgt.
Hoe lang duurt herstel?
Vermits men de volgende activiteit best niet te vroeg begint, maar ze ook niet
te lang mag uitstellen, komt het er op aan te weten hoe lang de herstelfase
duurt. Die lengte wordt in hoofdzaak beïnvloed door 2 factoren:
• de persoonlijke conditie : hoe beter de conditie, hoe sneller men herstelt ;
• de geleverde inspanning: hoe zwaarder een inspanning is, hoe langer het
duurt vooraleer men volledig hersteld is.
Energiesystemen![]()
![]()
Inspanning leveren kost energie.
Naargelang de duur en de intensiteit van de inspanning doet het menselijk
lichaam beroep op verschillende energiesystemen (zie fig. 1). Bij elke
inspanning werken verschillende energiesystemen samen, maar afhankelijk
van de duur en de intensiteit van de inspanning verschilt hun relatieve
bijdrage tot de energielevering.
Fig. 1: verschillende energiesystemen.
Anaëroob alactisch
Korte krachtexplosies die maximaal 6 seconden duren, doen voornamelijk
beroep op de ‘onmiddellijke energie’ die vrijkomt bij de afbraak van
de in de spier opgestapelde energierijke fosfaten: fosfocreatine (CP) en
adenosinetrifosfaat (ATP). Dit soort energielevering wordt anaëroob
(zonder zuurstof) én alactisch (zonder lactaat of melkzuur) genoemd. De
intensiteit is zeer hoog, maar de duurtijd is zeer beperkt.
Anaëroob lactisch
Voor maximale inspanningen tot ongeveer één minuut blijft de
energielevering voornamelijk anaëroob (zonder zuurstof). Hierbij verzuren
de spieren sterk en wordt er als gevolg daarvan melkzuur gevormd. Deze
energievorm wordt daarom anaëroob lactisch (met vorming van melkzuur)
genoemd.
Aëroob
Wanneer een maximale inspanning langer dan 1 minuut volgehouden moet
worden (bv. atletiek 800 meter), daalt de intensiteit en zal de
energielevering meer en meer met tussenkomst van zuurstof gebeuren. Deze
vorm van energielevering wordt dan ook aërobe energielevering genoemd.
Fig. 2: relatieve bijdrage van aërobe en anaërobe energie tijdens
maximale fysieke activiteit van verschillende duur.
Figuur 2 geeft de verhouding weer tussen het anaërobe en aërobe
energiesysteem voor een maximale inspanning in functie van de tijd. Bedenk
wel dat de relatieve bijdrage van de energiesystemen anders verloopt
wanneer men geen maximale inspanning levert.
Voorbeeld : Wanneer men gevraagd wordt om een Coopertest (12-min.
duurloop) af te leggen, zullen de energiesystemen zoals weergegeven in
figuur 2 aangesproken worden. Begint men daarentegen aan een rustige
duurloop, dan zal het anaërobe lactische energiesysteem veel minder sterk
aangesproken worden omdat de intensiteit (en dus de energiebehoefte) veel
lager ligt. Een onmiddellijk gevolg is dat er snel een evenwichtstoestand
tussen zuurstofbehoefte en zuurstofopname tot stand komt. Het aërobe
energiesysteem neemt op dat ogenblik zeer snel het grootste deel van de
energielevering op zich. Het is uitermate belangrijk dat men de
verschillende energiesystemen traint in de mate dat men ze voor zijn
wedstrijd nodig heeft. Een overzicht van een aantal populaire sporten en
de energiesystemen waarop in die sporten tijdens een wedstrijd beroep
wordt gedaan, is weergegeven in tabel 1. Dit zijn gemiddelde waarden die
kunnen verschillen naargelang het niveau van de wedstrijd en de fysieke
conditie van de sportbeoefenaar.
Het is belangrijk dat in een goed trainingsschema de verschillende
energiesystemen in die mate getraind worden als de atleet ze voor zijn
wedstrijd nodig heeft. Een overzicht van de meest populaire sporten en de
energiesystemen waarop in die sporten wordt beroep gedaan, vind je in
tabel 1. Dit zijn gemiddelde waarden die kunnen verschillen naargelang het
niveau van de wedstrijd en de fysieke conditie van de sportbeoefenaar.
|
Energiesysteem
|
|
Anaëroob
|
Anaëroob
|
Aëroob
|
|
|
|
|
alactisch
|
lactisch
|
|
Sport
|
|
Snelheid
|
Weerstand
|
Uithouding
|
|
Voetbal |
|
+++ |
+ |
++ |
|
Zaalvoetbal |
|
+++ |
++ |
+ |
|
Basketbal |
|
+++ |
++ |
++ |
|
Volley |
|
+++ |
+ |
+ |
|
Wielrennen (weg) |
|
(+) |
+ |
+++ |
|
Tennis |
|
+++ |
+ |
++ |
|
Zwemmen |
50m |
+++ |
++ |
+ |
|
|
100m |
++ |
+++ |
++ |
|
|
200m |
+ |
++ |
+++ |
|
|
400m |
(+) |
+ |
+++ |
|
|
800m |
- |
+ |
+++ |
|
|
1500m |
- |
- |
+++ |
|
Atletiek |
60m |
+++ |
(+) |
– |
|
|
100m |
+++ |
+ |
- |
|
|
200m |
+++ |
++ |
- |
|
|
400m |
++ |
+++ |
+ |
|
|
800m |
+ |
+++ |
++ |
|
|
1500m |
- |
++ |
+++ |
|
|
3000m |
- |
+ |
+++ |
|
|
5000m |
- |
(+) |
+++ |
|
|
10000 m / Veldlopen |
- |
(+) |
+++ |
|
Marathon |
|
- |
+++ |
|
|
Olympisch turnen |
|
+++ |
+ |
- |
|
Squash |
|
+++ |
++ |
++ |
Tabel 1 : de belangrijkheid van de verschillende energiesystemen
bij enkele populaire sporten. Op basis van deze gegevens kan snel een
eerste analyse gebeuren van de huidige trainingsschema’s.
Inspanning
De zwaarte van een inspanning wordt bepaald door de combinatie van de volgende 4
factoren : intensiteit, aard, duur en frequentie. Deze factoren kunnen
onmogelijk los van elkaar gezien worden.
Intensiteit
Intensiteit is de mate waarin men zich moet inspannen voor een activiteit. Bij
een lage intensiteit, bv. rustig fietsen, wandelen of zwemmen, moet men zich
nauwelijks of slechts weinig inspannen. Men kan dit dan ook lang volhouden. Een
sprintje tot men in ademnood is, vraagt van de meeste ongetrainde mensen echter
een maximale inzet. Zéér intensieve inspanningen kan men slechts korte tijd
volhouden. Hoe heviger of intensiever een inspanning is, hoe intensiever men
moet ademen en hoe hoger de hartslag oploopt tot hij een maximum bereikt. De
hartslag is bijgevolg een handige maatstaf voor de intensiteit van een
inspanning.
Aard
De aard van de geleverde activiteit heeft een grote weerslag op de zwaarte
ervan. Zo raakt bv. zelfs een getrainde sporter snel vermoeid wanneer hij een
andere sport beoefend. De verklaring ligt voor de hand. Bij bepaalde bewegingen
worden ook slechts bepaalde spiergroepen aangesproken. Andere spiergroepen
ondervinden geen of slechts een zeer klein trainingseffect. Wanneer men
bewegingen uitvoert die men niet gewoon is en ongetrainde spieren aanspreekt,
raakt men sneller vermoeid dan wanneer men zijn vertrouwde sport beoefent.
Duur
Voor niet-getrainde mensen kunnen zelfs korte inspanningen reeds erg vermoeiend
zijn. Algemeen wordt voor hen aangeraden om licht intensieve inspanningen te
leveren die dan wel wat langer aangehouden moeten worden. Een algemene regel stelt: hoe lager de intensiteit, hoe
langer de inspanning volgehouden moet worden om een trainingseffect op te
wekken.
Frequentie
Intensieve en lange inspanningen vragen een langer herstel dan lichtere en korte inspanningen. Begint men te snel aan een nieuwe training, dan heeft
het lichaam niet de kans gekregen om volledig te herstellen. De nieuwe
inspanning wordt dan zwaarder. Wacht men te lang tussen twee activiteitsperiodes
dan kan het trainingseffect van de vorige inspanning weggeëbd zijn.
Oriëntatie op de hartslag
De hartslag geeft een zeer goed beeld van de hevigheid of intensiteit waarmee
men oefent. Het kan echter handig zijn om te weten aan welk aantal hartslagen (=
hartfrequentie) men oefent. Men neemt namelijk aan dat de maximale hartslag
vanaf 20 jaar met 1 slag per jaar daalt. Hij kan voor de meeste mensen berekend
worden door de leeftijd in jaren af te trekken van 220.
Oefenniveau = 70 %
Men heeft vastgesteld dat een trainingseffect opgewekt wordt van zodra men
oefent aan een hartfrequentie die boven 70 % van de maximale hartslag uitstijgt.
Hoe de hartslag controleren ? U kunt uw hartslag
controleren aan de hand van de kloppingen (pulsaties) van de slagaders in de
pols of de hals.

Fig. 3: richtschema voor de maximale hartfrequentie en de hartslag
tijdens de activiteit.
De hartfrequentie waaraan men best oefent om de uithouding te verbeteren, komt
overeen met ongeveer 70 % van de maximale hartfrequentie.
Matig de intensiteit
Het ‘gevoel’ biedt eveneens een betrouwbare aanwijzing voor de intensiteit.
Daarbij kan men zich richten op de diepte en snelheid van de ademhaling of op
het algemene vermoeidheidsniveau. Uiteraard gaat het hier om een gevoel, met
andere woorden een persoonlijke indruk die individueel sterk kan verschillen.
Er bestaan echter een soort meetlatjes of schalen waarmee deze persoonlijke indruk iets neutraler uitgedrukt wordt. Het is
niet moeilijk om eventueel een eigen schaaltje te maken dat uzelf meer geschikt
lijkt.
| 0 | helemaal niet |
| 0,5 | zeer zeer licht |
| 1 | zeer licht |
| 2 | licht |
| 3 | matig |
| 4 | enigszins zwaar |
| 5-6 | zwaar |
| 7-8 | zeer zwaar |
| 9 | zeer zeer zwaar |
| 10 | maximaal |
Cooling down is noodzakelijk
Een sportactiviteit abrupt beëindigen moet sterk afgeraden worden. Aan het
einde er nog een sprintje uitknijpen en vervolgens de remmen dicht en op een
bank van een drankje genieten, is erg ongunstig en wel om twee redenen.
Bouw de inspanning daarom tegen het einde
langzaam af. Wanneer u bv. een uurtje gaat sporten, doet u er goed aan de
laatste 10 minuten uit te bollen. Ideaal is wanneer u in de douche kunt afronden
met het gevoel dat u reeds volledig uitgerust bent van de inspanning.
Wanneer u een activiteit plots moet staken moet u een afkoelingsperiode voorzien. U kunt bv. een tiental
minuten rondwandelen en daarbij gevarieerde oefeningen uitvoeren.
Rekoefeningen na de afkoeling zijn eveneens erg nuttig.
Naar gelang het beoogde doel zal meer het accent moeten gelegd worden op de
training van één van de drie verschillende energiesystemen (Anaëroob -
Alactisch; Anaëroob lactisch of Aëroob)
Snelheidstraining
ATP en fosfocreatine zijn de voornaamste energiebronnen die hierbij
aangesproken worden. Omwille van de beperkte reserve aan deze
energiebronnen vergt dit een zeer specifieke vorm van training.
In duursport kan deze training in combinatie met andere vormen gebeuren.
Zo kunnen bijvoorbeeld versnellingen deel uitmaken van een duurloop.
Tijdens een duurloop neemt de loopsnelheid geleidelijk toe van joggen via
hardlopen naar sprinten. Bv. tijdens een ronde op de 400 meter-piste na
elke 350 meter joggen, 30 meter hardlopen, 20 meter sprinten en vervolgens
verder uitlopen. Indien men sterk begint te ‘verzuren’, moet men de
snelheidstraining afbreken, zoniet schakelt men over op het anaëroob-lactisch
systeem.
Op snelheid doet men zeer vaak beroep tijdens spelsporten (voetbal,
volleybal, basketbal, enz.), gewichtheffen of andere sporten. Voor alle
soorten training van dit energiesysteem, waarbij dus een toename van de
ATP-fosfocreatine-reserve in bepaalde spieren wordt beoogd, is het
belangrijk dat de spieren aan dezelfde snelheid en bewegingsamplitude
worden getraind als in de sport of wedstrijd wordt gebruikt. Slechts op
die manier worden de spiervezelgroepen getraind die voor die specifieke
beweging nodig zijn.
Weerstandstraining
Om het anaërobe lactisch energiesysteem te trainen moeten maximale
inspanningen van 10 tot 60 seconden afgewisseld worden met voldoende lange
recuperatieperiodes (3 tot 5 minuten). Enkele typische voorbeelden van
weerstandstraining:
- de klassieke ‘suicides’ of ‘shuttle- runs’ in de balsporten
- 6 x 400 meter lopen maximaal met rustintervallen van ongeveer 5 minuten.
- fietsen op een heuvelachtig parcours waarbij aan maximale snelheid de
heuvels wordt opgefietst en rustig wordt verder getraind tussen de
heuvels.
Dit soort training is psychologisch erg zwaar. Deze trainingsvorm moet in
een trainingssessie altijd op het einde worden gepland, vermits de
vermoeidheid anders de rest van de training (bv. techniek) kan
compromitteren. Dit soort training is eveneens niet geschikt voor
biologisch onvolgroeide kinderen of ouderen. Voor kinderen is deze
training psychologisch te zwaar. Voor onfitte ouderen is deze training een
regelrechte aanslag op hart en bloedvaten.
Uithouding
Het aërobe systeem wordt geoefend door te trainen onder de anaërobe
drempel. Zowel herhalingen van korte inspanningen als continue, lange
duurinspanningen, verbeteren het aërobe systeem als de intensiteit
correct is.
Uithoudings- of duurtraining kan onderverdeeld worden in :
Intensieve duurtraining
Deze training gebeurt aan een intensiteit die zo dicht mogelijk bij,
maar nooit hoger dan de anaërobe drempel komt. Praktisch komt het er op
neer dat men na een goede opwarming in 20 tot 45 minuten een zo groot
mogelijke afstand tracht af te leggen aan een tempo dat relatief constant
blijft. De melkzuurconcentratie in de spieren stabiliseert zich. Dit noemt
men de maximale lactaat steady state of MaxLaSS. Er hoeven dus geen
versnellingen in deze training ingebouwd te worden, het tempo tijdens de
eerste kilometer is hetzelfde als tijdens de laatste kilometer. Bij
voorkeur doet men deze training op een vlak parcours of op piste. Indien
men zijn individuele hartfrequentie kent waarbij deze training optimaal
gebeurt, dan is het belangrijk dat men geleidelijk naar deze frequentie
toewerkt en ze dan stabiel tracht te houden. Doe deze training maximaal 1
keer per week en ten laatste 5 dagen vóór een belangrijke wedstrijd.
Extensieve duurtraining
De intensiteit van deze training situeert zich tussen de intensiteit
van een recuperatietraining (zie verder) en een intensieve duurtraining.
Aan dit tempo maalt men zijn kilometers af waarbij men nog rustig kan
praten. Op de melkzuurcurve is deze intensiteit gemakkelijk te bepalen,
namelijk als de intensiteit waarbij de melkzuurconcentratie begint te
stijgen (zone II van de curve). Deze training kan je verschillende keren
per week doen. Geleidelijk kan de duur (en afstand) van dit soort training
opgedreven worden. Vermeerder de trainingsomvang nooit met meer dan 10 %
per week, zeker voor lopers. Deze training kan ook gecombineerd worden met
snelheidstraining.
Fartlek
Deze training kan men eigenlijk eenvoudiger wisselduurtraining noemen.
Het is een duurtraining aan verschillende intensiteiten waarbij men
afwisselend traag en snel loopt (of fietst, ...). Belangrijk is wel dat
men tijdens de snelle stukken niet over de ‘uithoudingsgrens’ (anaërobe
drempel) gaat.
Om deze training goed uit te voeren is het gebruik van een hartslagmeter
wel erg handig. Op die manier ontloopt men het risico om te hard te
trainen tijdens de ‘snelle’ stukken. Zonder voorafgaande melkzuurtest
en hartslagmeter is het gevaar hiervoor wel erg groot.
Tempotraining
Hierbij doet men bepaalde afstanden aan een tempo dat precies op de
uithoudingsgrens ligt. Tussen de verschillende tempo(lopen), doet men het
bv. 3 minuten rustig aan. De pauzes tussenin houdt men best zo kort
mogelijk. Anders bestaat de neiging om de intensiteit van de tempo’s te
hoog te leggen. Dat geeft aanleiding tot een aanzienlijke
melkzuuropstapeling waardoor men geen ‘uithouding’ maar
‘weerstand’ traint. Het doel van dit type training is om aan een
hogere snelheid te kunnen lopen, fietsen, ... zonder onmiddellijk te
verzuren.
Lange duurtraining
Hierbij traint men minstens anderhalf uur (het aantal kilometers wordt
geleidelijk verhoogd) aan een intensiteit die overeenkomt met het begin
van zone II op de melkzuur curve (begin van de
melkzuurconcentratiestijging). Dit type training is heel belangrijk voor
de atleet die zijn lichaam wilt laten wennen aan hoge trainingsvolumes.
Recuperatietraining
Hierbij loopt , fietst of zwemt men rustig los. Deze training doet men
best de dag na een wedstrijd, of na een intensieve- of weerstandtraining.
Ook als er meermaals per dag wordt getraind is dit type training een vast
onderdeel van het trainingsschema. —
Vetloop
Deze training is erg nuttig voor marathonlopers. Hierbij gaat men als
volgt te werk: 2 tot 3 uur na een normale avond maaltijd gaat men nog een
uurtje lopen (maximaal extensief). Na de training eet men niet meer (water
drinken mag natuurlijk wel). Men gaat slapen en de volgende morgen doet
men nuchter een trage duurloop van ± 1u30 tot 2 uur. Omdat het
spierglycogeen door de avondtraining en het leverglycogeen tijdens de
nacht sterk uitgeput werden, verplicht men zijn lichaam de vetreserves aan
te spreken tijdens de ochtendtraining. Daarom noemt men dit soort training
vetloop. Men moet er wel zorg voor dragen regelmatig (water) te drinken
voor en tijdens deze training. Beginners doen deze training ook nooit
alleen!
Intervaltraining
Onder intervaltraining verstaat men een trainingsmethode waarbij een
aantal relatief korte periodes van belasting worden afgewisseld met korte
herstelperioden. Veel atleten schrijven hun succes toe aan
intervaltraining. Mits de juiste verdeling arbeid-rust, kan heel wat meer
arbeid verricht worden in 1 trainingssessie in vergelijking met een
continue duurtraining. De arbeidsintervallen kunnen variëren van een
aantal seconden tot een aantal minuten. Bij het opstellen van een
intervaltraining kan gespeeld worden met de intensiteit en de duur van het
herstelinterval, het aantal werkintervals (herhalingen) en het aantal
series (= het aantal herhalingen) per trainingssessie. Naargelang men de
bovenstaande variabelen verandert, kan men trainingen opstellen voor de
verschillende energiesystemen. Daar zit precies het probleem van de
intervaltraining.
Men weet namelijk heel moeilijk welk energiesysteem men precies traint.
Heel wat richtlijnen, hulpmiddelen worden gegeven om te bepalen hoe snel
men moet lopen of zwemmen om aan de juiste intensiteit te trainen.
Om één bepaald energiesysteem te trainen blijft deze methode echter
moeilijk hanteerbaar. Een continue controle van hartfrequentie en/of
melkzuur is quasi noodzakelijk.
Welke
bewegingsactiviteit kiezen?![]()
![]()
De ene sport is al beter geschikt voor een
verbetering van uithoudingsvermogen dan de andere. Sporten zijn echter moeilijk
te vergelijken. De ene is nl. al technischer dan de andere, en wordt in groep
uitgeoefend, bestaat uit korte hevige inspanningen met tussenpozen of juist één
lange aangehouden inspanning, enz.
Wat telt is dat elke vorm van beweging een gunstige invloed heeft op de
gezondheid. Het komt er bijgevolg op aan een sport te kiezen waarbij men zich
het best voelt en rekening te houden met het specifieke profiel van de sport.
Enkele korte toelichtingen maken een en ander duidelijk.
lopen
De continue activiteit van de grote spiergroepen van de benen en de romp vraagt
grote hoeveelheden bloed, wat van het hart een behoorlijke inspanning vraagt.
Deze sporten zijn uitstekend geschikt voor de verbetering van de uithouding. Bij
het wandelen moet men wel een fluks tempo aanhouden. Slenteren haalt weinig of
niets uit.
Bij aerobics hangt de intensiteit van de inspanning af van het programma en de
lengte van de pauzes tussen de oefeningen.
Het risico op kwetsuren is zeer klein bij wandelen, maar het loopt op naarmate
er heviger en langer bewogen wordt, bv. bij het lopen en bij aerobics.
Fietsen
Het gewicht wordt gedragen waardoor de benen
minder hard moeten werken dan tijdens lopen. Bij alle-terrein-fietsen ligt de
inspanning iets hoger dan bij fietsen op de weg omdat men vaker recht op de
pedalen staat en omdat het terrein gevarieerder is. Fietsen vraagt een goed
evenwicht, een degelijke bewegingscontrole en een goed zicht. Het is dus minder
aangewezen voor mensen met problemen op dit vlak. Doordat het gewicht gedragen
wordt, is fietsen dé oefenvorm bij uitstek voor mensen met overgewicht. Het
spaart immers de gewrichten.
Zwemmen
Het water draagt het lichaamsgewicht en ontlast een aantal spieren. Zwemmen is een technische sport en vraagt een specifieke ademhalingstechniek. Niet getrainden raken vaak snel buiten adem. Zwemmen vraagt ook veel van de arm- en heupspieren. Deze zijn dergelijke inspanningen niet gewend en raken vlug vermoeid. Bovendien wordt het hart slecht weinig belast. Zwemmen is een uitstekende sport om de soepelheid en lenigheid van het lichaam te onderhouden. Het risico op letsels of kwetsuren is zeer beperkt.