|
De borstcrawl is een borstslag met een dubbele overarmslag, die ongelijktijdig wordt uitgevoerd. De beenslag is een crawl-beenslag. De borstcrawl is de snelste zwemslag door: ·
een
constante horizontale ligging ·
weinig
weerstand bij de contrabewegingen ·
lange
stuwbanen van de armen, die elkaar gedeeltelijk overlappen ·
door een
ongelijktijdige overhaal ·
krachtige
armslag Door dit alles is de verplaatsing zeer continu en dus zeer economisch: met weinig energie-inzet een relatief hoge verplaatsingssnelheid. |
|
|
De snelheid waarmee de slag wordt gezwommen, komt voor 70-90% voor rekening van de armen. De armbeweging is in te delen in een aantal stadia: 1.
Inzet 2.
Glijfase 3.
Trekfase 4.
Duwfase 5.
Uithaal 6.
Overhaal 1. De InzetDe inzet bij de borstcrawl is recht voor de schouder op schouderbreedte of iets breder, op ¾ van de armlengte met een licht gebogen elleboog. De hand raakt het water eerder dan de elleboog; dit is erg gunstig voor de volgende fase: 2. GlijfaseDe arm wordt na de inzet naar voren
doorgestrekt, waarbij de handpalm naar beneden wijst. Tijdens de glijfase
kiest de arm die zal gaan stuwen een zo gunstig mogelijke positie. Men
zegt ook wel dat de hand het water "pakt".
3. TrekfaseDe trekfase loopt vanaf het einde van de glijfase totdat de hand zich loodrecht onder de schouder bevindt. Tijdens deze fase vindt er een langzame buiging in het ellebooggewricht plaats., zodat op het einde van deze fase de hoek van het ellebooggewricht ongeveer 90 graden is. Hierdoor kunnen we veel kracht zetten. De elleboog blijft constant het hoogste punt. Tijdens de duwfase gaat de handpalm naar achteren wijzen. De hand beweegt eerst wat naar buiten en komt daarna weer onder de schouder, waarbij een langzame buiging in het ellebooggewricht optreedt. De hand komt aan het einde van de trekfase nooit volledig over de middenlijn van het lichaam. Komt de hand wel over de middenlijn dat heeft dat direct consequenties voor de ligging. De schouder komt veel te diep te liggen waardoor er extra weerstand optreedt. (zie tekening)
|
4. DuwfaseDe duwfase volgt de trekfase op en begint
dus loodrecht onder de schouderas tot het moment dat de arm en daarna de
hand het water verlaat (uithaal). De S-vormige baan is getekend die de hand
beschrijft t.o.v. het lichaam. Ten opzichte van de bodem blijft de hand
ongeveer op de plaats, want de hand is "vastgezet" (grip) en de
zwemmer trekt zijn lichaam daar overheen. 5. De uithaalAls het einde van de duwfase goed is
uitgevoerd, dan zal elleboog als eerste en de hand (pink) als laatste het
water verlaten. De uithaal vindt plaats bij de heup of bij het bovenbeen. 6. De overhaalDe overhaal vindt plaats met een hoge
elleboog. De overhaal moet ontspannen uitgevoerd worden: onderarm en hand
"hangen aan de elleboog". |
|
Hoewel de armbeweging verreweg het meeste
bijdraagt aan de verplaatsing is het fout om te denken dat de beenslag
nauwelijks van belang zou zijn. Armen en benen dienen nauwkeurig met
elkaar samen te werken om een goed lopende slag te kunnen zwemmen. Een
goede beenslag levert zijn bijdrage aan het geheel. ·
Een
stabiliserende/compenserende functie (belangrijkste) ·
Een
stuwende functie De beenbeweging bestaat uit een afwisseling
van up- en downbeats (op- en neerslag), waarbij de benen langs elkaar heen
gaan. Een zo'n passage noemen we een beenwissel. De beenslag is vaak
onregelmatig en zeer gevarieerd bij verschillende zwemmers en vindt zelden
alleen in verticale richting plaats. |
De beweging wordt ingezet vanuit de heup,
waarbij in de upbeat het been gestekt wordt door de waterweerstand. De
downbeat van het bovenbeen (vanuit de heup) is reeds begonnen als de
voeten nog opwaarts bewegen. Op het omkeerpunt klapt de ontspannen voet
dan na, waarbij de voetzool stuwing kan geven. Intussen is de knie ook
gebogen wanneer ook de voet omgeklapt is, staan scheenbeen en wreef in een
gunstige stand om stuwing te geven in de downbeat. Het effect wordt
versterkt, doordat het bovenbeen inmiddels weer in opwaartse richting
beweegt. Dit kan alleen maar als het been ontspannen de beweging vanuit de
heup volgt. Om een beter beeld te vormen zie tekening (klik voor een groter beeld): |
De combinatie:Er zijn verschillende combinaties die gezwommen kunnen worden. Zo kennen we de Amerikaanse crawl. Dit houdt in dat op één volledige armcyclus (of wel 2 armslagen) er 6 beenwissels gezwommen worden. Kort gezegd, 2 : 6. Kernmerken bij deze slag is: intensieve beenslag, een duidelijke glijfase, armtempo lager en de armdoorhaal dicht bij het lichaam met hoge ellebogen. Schematisch kunnen we weergeven: ·
Downbeat
rechter been gelijk met inzet linkerarm ·
Downbeat
rechter been gelijk met overgang trekfase naar duwfase linkerarm ·
Downbeat
rechter been gelijk met ter hoogte van de uithaal/overhaal linkerarm Hetzelde geldt voor de tegengestelde lichaamshelft. Bij de 2 : 2 is de armslag erg dominant. Er is niet of nauwelijks een beenslag aanwezig. Deze combinatie wordt ook wel de Australische crawl genoemd, aangezien veel Australische zwemmers op deze manier zwommen. De ademhaling:De inademing vindt plaats als de armen in
elkaars verlengde zijn hetgeen in de praktijk betekent: inademing aan de
rechterzijde als de rechterhand ter hoogte van de rechterheup bij de
uithaal is en de linkerhand ongveveer bij de inzet/glijfase. De inademing
vindt plaats in het boegdal aan de rechterzijde. Het hoofd draait daarbij
om de lengte-as. De uitademing vindt geleidelijk onder water plaats door
zowel neus als mond. De beenbeweging speelt een ondersteunende rol bij de ademhaling.
|
Veel gemaakte fouten bij het borstcrawl zwemmen:·
Met de
schouders wordt niet of onvoldoende gerold ·
Bij de
insteekfase overkruist de arm de lengte-as ·
De doorhaal
is teveel zijwaarts ·
Actief op
en neerslaan vanuit de knieën ·
Haaktenen,
waarbij de enkels niet ontspannen zijn ·
De
dominantie ligt niet bij de armen maar bij de benen ·
Het hoofd
ligt te hoog of juist veel te diep, waardoor de ademhaling bemoeilijkt
wordt |